KWS-Maïsmanager

Berekende silomaïs-kwaliteitscijfers hebben geen waarde voor de praktijk! Kies voor betrouwbare gemeten zetmeel- en eiwitopbrengstpotentie op basis van korrelmaïsopbrengsten.

Kwaliteitscijfers (celwandverteerbaarheid, VEM, VOS, zetmeelgehalte) hebben om 3 verschillende redenen geen waarde voor de veehouder en de maïskweker:

  1. De gemeten waardes kan men niet vergelijken vanwege een verschillende (korrel)rijpheid van de geteste rassen bij de oogst op één moment.

Diepgaand uitgevoerd meerjarig onderzoek, gedaan naar de laboratorium systemen die gehanteerd worden om voederwaarde zoals celwandverteerbaarheid, totale verteerbaarheid, VEM, VOS en zelfs zetmeel aan te geven komt tot nog meer belangrijke conclusies.

  1. De analyses van hetzelfde monster in de verschillende laboratoria en zelfs in hetzelfde laboratorium spreken elkaar tegen door een verschillende rangorde en verschillende absolute niveaus.

De samenstelling zoals zetmeelgehalte, suikergehalte en celwandgehalte in een monster kan nog redelijk worden ingeschat ten opzichte van elkaar. Echter, in de absolute waardes zitten tussen de laboratoria dermate grote verschillen dat gebaseerd daarop geen betrouwbaar correct voederrantsoen samengesteld kan worden. Daarnaast heeft een monster van een geconserveerde kuil een andere samenstelling dan het oorspronkelijke verse product.

De cijfers voor verteerbaarheid zoals celwandverteerbaarheid en het daarvan afgeleide VEM en VOS gehalte geven nog meer verontrustende resultaten. De laboratoria spreken elkaar tegen in ranking en er zijn grote absolute verschillen tussen de laboratoria. En binnen de zelfde laboratoria zijn er grote verschillen, zowel in absolute zin als in rangorde wanneer de systemen van de laboratoria aangepast worden aan de koe-werkelijkheid. In de huidige gebruikte systemen wordt in de laboratoria veelal de maximaal omzetbare organische stof in het verse materiaal gemeten. Maar het zegt niets over wat de koe er daadwerkelijk mee kan.

Voor de celwandverteerbaarheidscijfers geldt daarnaast nog een bijzondere opmerking: wat er in de tijd van de celwanden wordt omgezet en als cijfers wordt gepresenteerd is sterk afhankelijk van de hoeveelheid andere in het monster aanwezige componenten zoals zetmeel en suiker. Zit er meer zetmeel in dan worden de celwanden vertraagd afgebroken. De hoeveelheid suiker wordt als extra schijn-celwandverteerbaarheid gepresenteerd. Groene, fysiologisch laat afrijpende , niet afgerijpte gewassen hebben hierdoor een schijnbare betere celwandverteerbaarheid en daarmee voederwaarde.

  1. De analyses en de kengetallen vermeld op het rapport komen niet overeen met wat de koe er mee kan en mee doet.

In de praktijkkuil is de suiker na conservering verdwenen, dus is de schijncelwandverteerbaarheid weg. In de koe worden er niet of nauwelijks celwanden afgebroken vanwege de geringe in-pens-verblijfstijd, de grove materie die de koe binnen krijgt en de aanwezigheid van andere componenten zoals zetmeel, vetten, eiwitten e.d. in de pens. Daarnaast, als er nog verschillen zouden zijn (die zelfs zouden komen door verschillende rijpheid, eventuele brown-mid-rib of misschien verschil in rassen) dan zijn deze zeker zo miniem dat ze niet in de praktijk terug te vinden zijn.

Conclusies:

  • Het is een gegeven dat voor (hoogproductieve) koeien de hoeveelheid structuur een belangrijke factor is voor het stimuleren van de penswerking. Hieraan is niet de hoeveelheid celwanden maar wel de fysieke structuur direct aan gerelateerd.
  • Celwanden in ruwvoer en zelfs krachtvoer nemen wel een belangrijk volume in de pens van de koe in. Ten aanzien van voederevaluatie in silomaïsrassenproeven kan alleen maar geconcludeerd worden dat het in de huidige proefveldwerking onmogelijk is om de rassen correct te vergelijken vanwege de verschillende rijpheid van de rassen bij de oogst en de compositiedynamiek tijdens de afrijping.
  • Dat de huidige lab-systemen geen basis zijn voor een correcte evaluatie van wat de koe er mee kan en mee doet en dus voor een economische afweging.
  • Het is dan ook beter om de maïsrassen door middel van een aangepaste proefveldwerking op een correcte basis te evalueren op de productiepotentie van zetmeel, eiwit en hoeveelheid celwanden. Dan is er een basis waar de teler, gebruiker en kweker van maïs mee kan werken.
  • Zolang deze aangepaste proefveldwerking er niet komt, is de beste manier van evaluatie van maïsrassen het beoordelen van korrelmaïsopbrengsten waarin zetmeel- en eiwitopbrengstpotentie gemeten worden en daarmee correct geëvalueerd worden.